Atlantis

Groot, groter, groots

Een Oekraïense oorlogsveteraan beschouwt zijn kapot gebombardeerde land in het monumentale Atlantis, dat van de nabije toekomst een hel op aarde maakt.

Het is moeilijk onder woorden te brengen hoe groots Atlantis voelt. Monumentaal. Overweldigend. Ook het plaatje bij deze tekst geeft er niet echt een indruk van. Omdat het voor een belangrijk deel in het geluid zit. En omdat de schaal van wat de Oekraïense filmmaker Valentin Vasijanovitsj in zijn vierde speelfilm neerzet pas echt voelbaar is als dingen in beweging komen.

Bijvoorbeeld als een reusachtige vrachtwagen, waarvan alleen de banden al boven hoofdpersoon Sergej (Andrej Rimaroek) uit torenen, zich knarsend en krakend in beweging zet. Als op de achtergrond een bulldozer voorbij raast die groot genoeg is om een kleinere bulldozer in zijn laadbak te dragen. Als voormalig soldaat Sergej en zijn broer aan het werk zijn in een massale staalfabriek waar alles dendert en dreunt en waar gesmolten staal alles doet baden in een helse oranje gloed.

Atlantis ging in 2019 in première op het filmfestival van Venetië, waar het de hoofdprijs won in het bijprogramma Orrizonti. De film speelt in het Oekraïne van 2025. De burgeroorlog met Russische inmenging die daar op dit moment nog woedt, is dan voorbij, maar dat is dan ook meteen het enige hoopvolle aan de toekomstvisie van Vasijanovitsj. Het Oekraïne dat hij zo krachtig neerzet, staat aan het begin van de lange nasleep van die oorlog. Sergejs met kogels doorzeefde woonplaats staat vol uitgebrande flats en gebouwen die op instorten staan. Als er al aan wederopbouw wordt gedaan, dan is het om een megalomaan winkelcentrum uit de grond te stampen.

Buiten de stad is het niet beter: in plaats van bucolische rust vind je er eindeloze moddervelden die vol liggen met mijnen. In de gebieden waar de strijd het hevigst was, is het grondwater zodanig vervuild dat het nog decennia ondrinkbaar zal zijn. Het is een ronduit postapocalyptisch landschap, gecreëerd door een apocalyps die nú gaande is, in onze realiteit.

Sergej reist door dat landschap omdat hij aan de slag gaat als bezorger van water in dat vervuilde gebied, dat wordt aangeduid als ‘De Zone’ – die verwijzing naar het eveneens postapocalyptische verboden gebied in Tarkovski’s Stalker (1979) is zeker geen toeval. Met een rammelende oude tankwagen rijd Sergej langs de soldaten, hulpverleners en af en toe gewone burgers die het onherbergzame landschap bevolken.

Op een van die tochten maakt hij kennis met Katja (Ljudmila Bileka), een vrijwilliger voor hulporganisatie Zwarte Tulp, die zich inzet om de lichamen van gesneuvelde soldaten te bergen en begraven – ongeacht aan welke kant zij streden. Katja’s intrede in Sergejs leven, die ertoe leidt dat hij zelf voor Zwarte Tulp aan de slag gaat, confronteert hem met zijn eigen, traumatische oorlogsverleden. Maar Katja brengt ook een sprankje hoop. Juist omdat dat zo zeldzaam is in de desolate omgeving, komt dat misschien nog wel het hardst aan in deze grandioze film.